3e Generatie
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14

De derde generatie | Hoofdstuk 9

Het verhaal over “De Krim”

Wanneer we de geschiedenis doorlezen over het ontstaan van “De Krim”, komen we al gauw de naam van de Gebr. Minke tegen als een van de eerste verveners die een concessie kregen voor het graven van een wijk en het in cultuur brengen van enkele hectare veengrond. Deze wijk mondde uit in de Lutterhoofdwijk, het kanaal wat van het Heemse naar Coevorden aangelegd werd en in 1868 werd voltooid.

Vanaf deze verleende concessie in 1862 wordt het bestaansrecht van de plaats “De Krim” geteld en werd aan deze wijk, die al gauw de naam Minkeswijk kreeg, het kleine centrum gevormd. Deze streek ressorteerde onder de gemeente Gramsbergen, die aan de noodzakelijke ontwikkeling niet zoveel aandacht besteedde.

Zo kwam uit haar bewoners een vereniging tot stand, “De Eendracht”, die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van De Krim. Deze vereniging heeft enkele malen een niet vergeefs beroep gedaan op de Gebr. Minke, o.a. het beschikbaar stellen van een stuk grond t.b.v. het houden van enkele geiten en varkensmarkt waarna de gemeente haar medewerking niet meer kon weigeren. Op deze markt kwam ook een draaimolen en een schommel voor de jeugd. Hij werd voor het eerst gehouden in mei 1881.

Na de voltooiing van de Lutterhoofdwijk in 1868 wilde de Eendracht hier een verharde weg langs leggen, maar de gemeente achtte het niet noodzakelijk. Ook de Gedeputeerde Staten wilde hieraan geen medewerking verlenen vanwege de hoge kosten. En ondanks dat de Gebr. Minke grond beschikbaar stelde, lukte het de Eendracht niet de weg te krijgen. Zelf met tussenkomst van andere veeneigenaren, o.a. Van Haeringen, Rigtering en Colenbrander allen uit Avereest, duurde het nog 10 jaar voordat aan de Gebr. Minke de juiste vergunning werd verleend. Aan deze vergunning werd wel de voorwaarde gesteld dat de bijeen gebrachte gelden vooraf ter beschikking gesteld worden aan het provinciaal bestuur en er geen tolgeld geheven mocht worden. Een reden te meer om aan te nemen dat in 1868 niet aan dergelijke voorwaarde voldaan kon worden, wat nu echter geen belemmering meer vormde. Deze verleende concessie aan Berend Minke werd in 1880 ten name van de provincie Overijssel overgeschreven. De aanleg van de weg verliep spoedig en kw am gereed in mei 1881. Zo ging het ook met de vergunningaanvraag enkele jaren later voor de aanleg van een weg van de Krim naar Gramsbergen. Deze weg, ook wel dodenweg genoemd omdat ze langs de begraafplaats zou komen te lopen, was voor Berend en Martin van groot belang voor hun veenderijen. Daarom wilden zij ook hier weer grond ter beschikking stellen. Maar ook nu duurde het maar liefst tot 1896 voordat uiteindelijk ook deze weg er gekomen is.

Toen de voorraad veen langs de Lutterhoofdwijk niet onbelangrijk aan het verminderden raakte, daalde de inkomsten die de provincie van het turfvervoer incasseerde. Martin doet dan een voorstel om te zorgen, dat de Drentse veengebieden aangesloten worden op de Lutterhoofdwijk zodat de inkomsten gewaarborgd konden blijven. Maar dat gaf nu weer een boel geharrewar over en weer van diverse betrokken partijen. Het uiteindelijke resultaat was dat de provincie een wijk kocht van de Coevorder Veen en Ontginningsmaatschappij, waardoor, zoals de Gebr. Minke verklaarden de voortzetting van de vervening in dit gebied voor enkele jaren verzekerd was. Het nieuw verkregen gebied van Berend en Martin, groot 60 hectaren, was weer voor ruim 12.000 dagwerk turf.

De veenarbeiders trokken nu Drente in en op de vrijgekomen grond kwamen de Groninger boeren die met hun landbouw begonnen, de aardappelteelt. Deze aardappels werden in de fabriek van W.Scholten in Smilde vermalen. Maar al in het eerste jaar van deze eeuw verrees een aardappelmeelfabriek in Lutten. De Krimse boeren waren daarmee lang niet tevreden vanwege de lage prijs die hun aardappels opbrachten. Bij enkele boeren ontstond het plan om zelf een fabriek te exploiteren maar het ontbrak hun aan geld, wat zij zelf meer dan nodig hadden voor de ontginning van hun boerderijen.

Hier onderbreken we even het verhaal om in herinnering te brengen dat terzelfder tijd de firma Gebr. Minke werd ontbonden nadat Berend was overleden. Zijn erven hadden grotendeels de gronden in Dedemsvaart toebedeeld gekregen en Martin de gronden daarbuiten, o.a. ook in de Krim. Zijn drie zoons, Jan, Martinus en Antoon, vormden de nieuwe generatie “Gebr. Minke”. Vanaf nu komen we Martinus tegen in de officiële stukken, wat niet wegneemt dat vader Minke vooral op het “Krimse” een woordje roerde.

De Krimse boeren, Leenders, Van de Vinne, De Jager en Gebr. Colenbrander, komen met de nieuwe generatie Gebr. Minke tot een agreement voor het exploiteren van een aardappelmeelfabriek, half op coöperatieve en half op speculatieve basis. Het motief voor de Gebr. Minke om hierin te investeren was afzet van hun turf als brandstof voor de fabriek en tevens op de door hen afgeveende grond geteelde aardappelen kon worden verwerkt.

In 1906 gaan de deuren open van de fabriek met de naam “Internos”, het Latijnse woord voor “Onder Ons”, gebouwd aan de Minkeswijk. De eerste directeur was H. Steenhuis.

Maar helaas, van goede bedoelingen kwam niet veel terecht. Door verschillende omstandigheden ging de fabriek niet naar genoegen. Er ontstonden grote moeilijkheden tussen de leveranciers van de aardappelen, de boeren, en de fabrikant, in dit geval de geldschieter “Gebr. Minke”.

Na een verdroogde oogst in 1911 was het bedrijf niet meer te redden en moest worden geliquideerd. Nu ontstond er een machtspel van de twee belanghebbende partijen, de oorspronkele groep boeren aan de ene kant tegen de Gebr. Minke aan de andere kant.

Martinus was er zeer op gespind het bedrijf voor relatief weinig geld voor de Gebr. Minke geheel over te kunnen nemen, maar de oorspronkelijke groep boeren zagen nu hun kans schoon om zelf de fabriek in handen te krijgen. Hierdoor zouden ze niet meer financieel afhankelijk zijn de Minke’s. Ze staken de koppen bijeen, en na vele geheime besprekingen, waarvan zelfs hun vrouwen niets wisten, besloten ze de fabriek te kopen. Ze hadden wel één probleem omdat ze wisten dat Gebr. Minke bij het bieden steeds een hoger bod zouden uit kunnen brengen om te voorkomen dat de groep boeren de fabriek in handen zouden krijgen. Daarom bedachten ze het plan om een stroman in handen te nemen die voor hen de bieding zou doen, zodat de Gebr. Minke in het ongewisse zouden blijven. Begrijpelijk dat de spanning was te snijden op de dag van de openbare veiling, gehouden op 8 maart 1912 door de notarissen Weys en Rambonnet. Met het bod van 71.692,50 gulden wisten de boeren de fabriek met terreinen in de wacht te slepen. Het waren zij die op slinkse wijze hadden gewonnen.

Dat Martinus zich door hen goed voelde beetgenomen kon hen niet deren, zij hadden nu de fabriek. Pikant hierbij is wel dat Jan Leenders, een van de boeren die daarbij ook nogal eens zaken deed met de Gebr. Minke, enkele maanden tevoren een hypothecaire lening van ruim 22.000 gulden had gevraagd aan Martinus en gekregen, naar men mag aannemen hiervoor nodig had. Voor Martinus een bittere pil.

Zo kom ik ook de naam U van de Vinne tegen van een vordering bij Martin ( vader van Martinus). En toch hadden de Minke’s niets in de gaten.

De fabriek kreeg nu de naam “ Onder Ons”, de vertaling van de Latijnse naam “Internos”. Er werd een jonge directeur aangesteld, de heer Groeneveld, 23 jaar oud en deskundig op het gebied van de aardappelmeelfabricage. Met een uitvinding in de jaren dertig van het “Crackfree” (een edelstijfsel), kwam het bedrijf tot grote bloei. Daarnaast kwamen ook andere zetmeelderivaten in productie, als lijmsoorten en puddingpoeders.

Nadien is er een samenwerking ontstaan met de Koninklijke Scholten Honig en in 1975 daaraan verkocht. De boeren kregen nog wel langdurige leveringscontracten, maar het was hun “eigen” fabriek niet meer. Door de slechte economie begin jaren tachtig, kwam ook de K.S.H. in moeilijkheden wat weer resulteerde in een overname door thans over de wereld bekende “AVEBE”.

Door een reorganisatie die daarop volgde, werden verschillende fabrieken onder de zelfde vlag gesloten en de verwerking van aardappelen in vier grote bedrijven geconcentreerd, waarvan “Onder Ons” er een van is.


Algemeen Geschiedenis Foto's & Documenten Downloads
Home
Contact
Links
Introductie
De 1e generatie
De 2e generatie
De 3e generatie
De 4e generatie
Nawoord
Reunie 2007
Bidprentjes
Veenderijen
Archiefstukken
Diversen
Boekje reunie 2007
© Ernest & Juriën Minke | Contact | Disclaimer